Hij had een kamer genomen pal boven een openbaar badhuis, en schreef aan zijn vriend Lucilius wat hij de hele dag hoorde. De krachtsporters die kreunden en hun adem uitstootten. De masseur die met vlakke hand op schouders sloeg, telkens met een andere klank. De balspelers die hardop de punten telden. De ruziemaker, de dief die betrapt werd, de man die zijn eigen stem mooi vond in het water. Het gillen bij het uittrekken van okselhaar. De verkopers van drank, worst en koek, elk met hun eigen roep. En dan schreef hij: ik zweer je dat al dat lawaai mij zo weinig doet als het ruisen van water. Verderop in dezelfde brief geeft hij toe dat hij verhuisd is.
De brief dateert uit de jaren zestig van de eerste eeuw, geschreven na Seneca's terugtrekking uit het hof van Nero. Romeinse badhuizen waren geen stille wellnesscentra maar de sociale knooppunten van de stad: sportruimte, kroeg, markt en ontmoetingsplek in één, van 's ochtends tot in de avond in bedrijf. De brief hoort bij de honderdvierentwintig brieven aan Lucilius, procurator van Sicilië, die Seneca in ongeveer drie jaar schreef en die zijn belangrijkste werk werden. De eerlijkheid aan het slot is typerend: hij bepleit geen onaantastbaarheid, hij beschrijft een oefening waarin hij zelf nog niet geslaagd is.
Je kunt het lawaai de schuld geven, of onderzoeken waarom het lawaai bij jou binnenkomt en bij een ander niet.
Het geluid onder zijn raam was niet van hem, en verhuizen was dat wel. Beide zijn juist. Waar het hem om ging ligt daartussenin: dat je pas last hebt van herrie als je aandacht al versnipperd is, en dat een geconcentreerd hoofd de wereld niet stiller maakt maar minder afhankelijk van stilte. Zijn bekentenis dat hij toch verhuisde maakt het punt sterker, niet zwakker.
Wat leidt jou vandaag af? En is dat werkelijk het geluid, of ben je onderweg al zo verdeeld dat alles je nu kan onderbreken?
Yours, Not Yours · Een stoïcijnse oefenplek · Alle casussen · Vraag of suggestie