In Rome stonden meer dan twintig bronzen ruiterstandbeelden van keizers en veldheren. Er is er één over.
De rest is omgesmolten. Brons was waardevol, en in de eeuwen na de val van het rijk werden de beelden verwerkt tot kerkklokken, munten, kanonnen en deurbeslag. Wat er stond werd beoordeeld op wat het woog.
Het beeld van Marcus Aurelius bleef staan door een misverstand. Men hield hem voor Constantijn, de eerste christelijke keizer, en beelden van christelijke keizers spaarde je.
De filosoof die schreef dat roem niets voorstelt en dat wie nu geroemd wordt binnenkort vergeten is, dankt zijn enig overgebleven standbeeld dus aan een verwisseling van naam.
Het beeld stond eeuwenlang bij het Lateraan. In 1538 liet paus Paulus III het naar het Capitool verplaatsen, waar Michelangelo het plein eromheen ontwierp; het staat er precies in het midden, en het ontwerp is voor dat beeld gemaakt.
Op het brons zijn nog sporen van de oorspronkelijke vergulding te zien. Sinds een restauratie in de jaren tachtig staat het origineel binnen in de Capitolijnse Musea en op het plein een kopie, opnieuw om te voorkomen dat het verloren gaat.
De Overpeinzingen, geschreven om nooit gepubliceerd te worden, zijn er ook nog. Allebei de dingen die van Marcus over zijn, bleven dus bewaard tegen zijn eigen verwachting in.
Wat er van je overblijft wordt bepaald door mensen die je nooit hebt ontmoet, om redenen die niets met jou te maken hebben.
De verleidelijke sortering is dat er een les schuilt in het uitgerekend overleven van zijn beeld. Er zit er geen; dat is precies het punt.
Wat er van iemand overblijft ligt volledig in het andere bakje, en dit verhaal levert het bewijs. Niet zijn deugd, niet zijn boek en niet zijn regeerperiode redden dat beeld, maar een verwisseling van naam. Er is geen rechtvaardigheid in wat de tijd bewaart.
Marcus wist dat en schreef het herhaaldelijk op. Wie nu geroemd wordt, is straks vergeten; wie zich om nagedachtenis bekommert, bekommert zich om iets wat hij niet zal meemaken.
Wat wel bij hem lag was hoe hij regeerde en wat hij noteerde. Dat het beeld en het boek allebei toevallig zijn blijven bestaan, verandert daar niets aan, en het zou er ook niets aan hebben veranderd als beide waren omgesmolten.
Er zit iets te aangenaams in deze les, en dat is de reden om hem te wantrouwen. Wij lezen dit verhaal juist omdát het beeld bleef staan; over de tientallen keizers die wél zijn omgesmolten gaat geen enkele casus.
En nalatenschap volledig afdoen als iets wat niet van jou is, gaat in één opzicht te ver. Wat je nalaat aan mensen die je kent, aan werk dat anderen voortzetten, aan kinderen: dat wordt wel degelijk beïnvloed door wat je doet, ook al bepaalt het toeval de rest. Onverschilligheid over de verre toekomst is verstandig; onverschilligheid over morgen is iets anders.
Waar werk je aan een nalatenschap die je niet in de hand hebt? En wat zou je vandaag doen als je zeker wist dat niemand het zich zou herinneren?
Yours, Not Yours · Een stoïcijnse oefenplek · Alle casussen · Vraag of suggestie