Albert Ellis was psychoanalyticus in New York en raakte ontevreden over zijn eigen vak. Patiënten kwamen jarenlang praten over hun jeugd, kregen inzicht in waar hun angsten vandaan kwamen, en veranderden niet.
Hij zocht naar iets wat wel werkte, en vond het bij een filosoof uit de eerste eeuw. Epictetus had geschreven dat mensen niet worden verontrust door de dingen, maar door hun oordelen over de dingen.
Als dat waar was, dacht Ellis, dan was de weg korter dan de psychoanalyse aannam. Je hoeft niet terug naar de oorsprong van een overtuiging om haar te veranderen; je kunt haar nu aanpakken, hardop, in het gesprek zelf. Hij begon patiënten hun eigen redeneringen te laten uitspreken en die vervolgens te betwisten.
Hij presenteerde de methode in 1955 onder de naam rationele therapie, later rationeel-emotieve therapie. De psychoanalytische wereld reageerde vijandig; hij werd jarenlang als ketter behandeld.
Aaron Beck ontwikkelde in de jaren zestig onafhankelijk een verwante aanpak, vanuit onderzoek naar depressie. Uit beide lijnen groeide wat nu cognitieve gedragstherapie heet: de best onderzochte psychotherapie ter wereld, en in veel landen de eerste keus bij angst en depressie.
Ellis citeerde de zin van Epictetus letterlijk in zijn belangrijkste boek uit 1962 en bleef er zijn leven lang naar verwijzen. Hij noemde de Stoïcijnen de eerste cognitieve therapeuten.
Je hebt een vak geleerd dat niet doet wat het belooft. Je kunt binnen het vak blijven, of iets uitproberen wat je vakgenoten belachelijk vinden.
De verleidelijke sortering is dat dit een verhaal is over hoe de Stoa gelijk kreeg. Interessanter is wat er onderweg gebeurde.
De reactie van zijn vakgenoten, zijn reputatie en de vraag of de methode zou aanslaan, lagen buiten Ellis. Hij kon niet afdwingen dat men luisterde, en jarenlang luisterde men ook niet. Wat wel bij hem lag was of hij zou publiceren wat hij dacht dat waar was.
De inhoud van zijn methode is dezelfde sortering, toegepast op de patiënt. Wat er gebeurde ligt vast; wat de patiënt erover denkt niet. De hele therapie bestaat uit het uit elkaar halen van die twee, en dat is precies de oefening op deze site.
En er zit bewijskracht in die de klassieke teksten missen. Bij Epictetus is de dichotomie een bewering; bij Ellis en Beck is zij duizenden keren getoetst tegen een controlegroep. Dat maakt de leer niet waar, maar het maakt dit deel ervan aantoonbaar werkzaam.
Er is een grens die Ellis zelf niet altijd bewaakte. Niet elk lijden komt uit een verkeerd oordeel. Wie arm is, ziek is of mishandeld wordt, heeft geen denkfout maar een probleem, en een therapie die alles bij het denken legt, kan omslaan in het verwijt dat je je ellende zelf produceert.
De cognitieve gedragstherapie is daar in de decennia erna voorzichtiger in geworden. En het is dezelfde tegenwerping die de Stoa treft: de leer is op haar sterkst waar de omstandigheden vaststaan, en op haar zwakst waar zij veranderd hadden kunnen worden.
Welk gereedschap gebruik je nog omdat het hoort, terwijl je merkt dat het niet werkt? En waar zou je het antwoord kunnen zoeken?
Yours, Not Yours · Een stoïcijnse oefenplek · Alle casussen · Vraag of suggestie