Hij bezat vrijwel niets: een mantel, een tas, een stok en een beker om uit te drinken. Op een dag zag hij een kind bij een bron water scheppen met zijn holle handen. Hij haalde de beker uit zijn tas, keek ernaar en gooide hem weg, met de opmerking dat een kind hem had verslagen in eenvoud. Kort daarna zag hij een jongen die zijn linzen at uit een uitgeholde korst brood, en gooide hij ook zijn etensnap weg. Wat hij tot dan toe voor het minimum had gehouden, bleek gewoon het minste dat hij tot dusver had bedacht.
Diogenes leefde in de vierde eeuw voor Christus en maakte van armoede geen ongeluk maar een oefening: hij wilde uitproberen hoe weinig een mens nodig heeft om onafhankelijk te zijn. Zijn methode was demonstratief, vaak schokkend voor de Atheners, en bewust openbaar. De Stoïcijnen namen zijn radicaliteit niet over; zij noemden bezit een onverschillige zaak, iets wat je mag hebben zolang je het niet nodig hebt. Maar de vraag die Diogenes stelde bleef staan, en Seneca stelde haar opnieuw toen hij als een van de rijkste mannen van het rijk enkele dagen per maand op stro sliep en water dronk.
Je hebt al besloten wat je minimaal nodig hebt. Dan laat iemand zonder erover na te denken zien dat het minder kan.
Dat het kind daar was en dat hij het zag, lag niet bij hem. Wat hij ermee deed wel. En let op de richting: hij hoefde niets te verwerven om zich rijker te voelen, hij liet iets los. Elk voorwerp dat je weglegt is er ook een minder die kapot kan gaan, gestolen kan worden of jou kan bezitten.
Wat heb jij aangeschaft omdat je dacht het nodig te hebben, en zou je het vandaag nog kopen?
Yours, Not Yours · Een stoïcijnse oefenplek · Alle casussen · Vraag of suggestie