Demetrius de Cynicus leefde in Rome in de eerste eeuw en bezat vrijwel niets. Seneca kende hem persoonlijk en haalde hem in verschillende werken aan, niet als citaat uit een boek maar als levend voorbeeld.
Caligula bood hem tweehonderdduizend sestertiën aan. Dat was een bedrag waarvan een gezin decennia kon leven; een Romeins soldaat verdiende er ongeveer negenhonderd per jaar.
Demetrius lachte en zei dat als de keizer hem werkelijk had willen verleiden, hij het met zijn hele rijk had moeten proberen.
Hij nam het geld niet aan. Seneca vertelt het verhaal en voegt eraan toe wat volgens hem het bijzondere is: niet dat Demetrius het geld versmaadde, maar dat hij eerst had uitgezocht wat hij nodig had, waardoor de vraag al beantwoord was voordat zij gesteld werd.
Demetrius was ook verbonden aan de kring rond Thrasea Paetus, de senator die de zaal uitliep. Toen Thrasea moest sterven, was Demetrius bij hem.
Later werd hij door keizer Vespasianus verbannen, samen met de andere filosofen. Volgens de overlevering liet hij zich ook toen niet uit het veld slaan; Vespasianus zou over hem gezegd hebben dat hij alles deed om zich te laten doden, maar dat hij een blaffende hond niet doodt.
Seneca noemde hem iemand die de wijsheid niet bezat maar haar wel beoefende, en zei dat hij hem niet als leraar beschouwde maar als getuige: iemand die liet zien dat de leer uitvoerbaar was, wat op papier altijd twijfelachtig blijft.
Een bedrag dat je leven verandert, aangeboden door iemand die er niets voor terugvraagt. Nog niet.
De verleidelijke sortering is dat Demetrius geld verachtte. Zijn antwoord doet iets scherpers dan verachten: het verplaatst de vraag.
Het aanbod kwam van buiten en was niet van hem; of hij het aannam wel. Maar in plaats van het bedrag te vergelijken met wat hij had, vergeleek hij het met wat hij nodig had. Dan blijkt tweehonderdduizend even irrelevant als tweeduizend, en is er niets te overwegen.
Daar zit de bruikbare kern. Wie zijn ondergrens niet kent, laat elk aanbod die grens voor hem bepalen, en dat is precies hoe mensen bij toeval in situaties belanden waar zij niet wilden zijn.
En de grap over het hele rijk is geen bluf. Hij zegt: bij een groter bedrag was het misschien wel gaan schuiven, en dat zou nog steeds over mij gaan en niet over het geld. Hij noemt de prijs die hij niet kent.
Weigeren is makkelijker als je niets nodig hebt en niemand hebt te onderhouden. Demetrius had geen gezin dat van dat bedrag beter zou zijn geworden, en wie dat wel heeft, staat voor een andere vraag dan hij.
En er is iets ongemakkelijks aan de manier waarop hij weigerde. Een keizer uitlachen is geen sortering maar een provocatie; het gaat niet meer alleen over wat van hem is. De Stoa leert dat je onafhankelijk moet zijn van de mening van anderen, en wie voortdurend laat zien hoe onafhankelijk hij is, is dat nog niet helemaal.
Bij welk bedrag zou jij ja zeggen tegen iets dat je liever niet doet? En weet je waarom precies daar?
Yours, Not Yours · Een stoïcijnse oefenplek · Alle casussen · Vraag of suggestie