Crates erfde in Thebe een aanzienlijk vermogen, genoeg om nooit meer te hoeven werken. Hij werd de bekendste Cynicus van zijn tijd, bekender nog dan zijn leraar Diogenes. Volgens de overlevering verkocht hij alles en gaf hij de opbrengst weg aan zijn stadgenoten. Een andere versie zegt dat hij het bij een bankier onderbracht, met één opdracht: geef het aan mijn kinderen als zij gewone mensen worden, en aan het volk als zij filosofen worden.
Wat hij overhield was een mantel, een tas en de straat. Hij leefde in Athene in de openbare ruimte, sliep in portieken, en had geen deur die hij achter zich kon sluiten.
De Atheners noemden hem niet de bedelaar maar de deuropener. Hij werd in huizen binnengelaten waar hij niet was uitgenodigd, en men vroeg hem ruzies te beslechten. Iemand zonder bezit heeft in een conflict niets te winnen, en dat maakte hem bruikbaar.
Hij trouwde met Hipparchia van Maroneia, die uit een welgesteld gezin kwam en hem koos toen hij haar liet zien wat het leven met hem inhield. Zij leefden samen in armoede en zij is een van de weinige vrouwelijke filosofen uit de oudheid van wie de naam bewaard bleef.
Crates onderwees Zeno van Citium, de koopman die zijn lading had verloren. Wat Zeno daar leerde, verwerkte hij later in een school die het weggeven van bezit niet overnam maar de vraag erachter wel: wat heb je nodig, en wat heeft jou.
De Stoa is daarmee de gematigde erfgenaam van iets radicalers. Zij noemde bezit een onverschillige zaak in plaats van een last, en daarin zit het hele onderscheid tussen leven op straat en leven met een huis dat je kunt verliezen.
Je hebt genoeg om nooit meer iets te hoeven. Precies dat is wat je wilt kwijtraken.
De verleidelijke sortering is dat Crates zijn bezit als kwaad zag. Dat is de Cynische lezing, en de Stoa nam haar niet over. Bezit is niet slecht; de greep die het op je krijgt is het probleem.
De splitsing die hij aanbracht is scherper dan zij lijkt. Wat hij weggaf lag volledig in zijn macht: het was van hem, hij kon erover beslissen. Wat hij daarmee terugkocht was ook van hem, namelijk de onmogelijkheid om nog iets te verliezen waaraan hij hing.
De bijnaam is de aanwijzing dat het werkte. Mensen lieten hem binnen omdat hij niets te halen had. Onafhankelijkheid was bij hem geen innerlijke toestand maar iets wat anderen aan hem konden zien.
De vraag die hij openliet is de vraag die de Stoa oppakte. Moet je alles weggeven om vrij te zijn, of is het genoeg om te weten dat je het zou kunnen missen? Zeno koos het tweede, en dat is de moeilijkere variant.
Alles weggeven is een keuze die alleen bestaat voor wie iets heeft. Crates koos armoede; de meeste armen in Athene hadden die keuze niet, en voor hen was zijn levenswijze geen filosofie maar hun dagelijkse situatie.
En er is een prijs die in de verhalen zelden wordt genoemd. Zijn kinderen groeiden op in die armoede zonder er zelf voor te hebben gekozen. Wie zijn eigen onthechting oefent, oefent haar zelden alleen.
Als geld gereedschap is, waar dient het jouwe voor? En zou je het antwoord ook geven als niemand meekeek?
Yours, Not Yours · Een stoïcijnse oefenplek · Alle casussen · Vraag of suggestie