In 307 voor Christus werd Megara ingenomen door Demetrius, bijgenaamd Poliorcetes: de stedenbelegeraar. Wat er bij zo'n inname gebeurde is bekend: de stad werd geplunderd, huizen leeggehaald, bewoners weggevoerd als slaven.
Stilpo was op dat moment hoofd van de Megarische school en gold als de bekendste filosoof van zijn generatie. Toehoorders kwamen van heinde en verre; Zeno van Citium studeerde bij hem voordat hij de Stoa stichtte.
Demetrius kende zijn reputatie en gaf bevel dat het huis van Stilpo gespaard zou worden. Toen hij Stilpo daarna sprak, vroeg hij of iemand hem iets had ontnomen, zodat het vergoed kon worden.
Stilpo antwoordde dat niemand hem iets had zien wegdragen. Hij had alles wat van hem was nog bij zich.
Zijn stad was verwoest, en volgens sommige overleveringen waren zijn dochters weggevoerd. De vergoeding die Demetrius aanbood zou zinloos zijn geweest: wat verdwenen was, kwam niet terug met geld.
Seneca vertelt het verhaal twee keer, in de brieven aan Lucilius en in zijn boek over de standvastigheid, en trekt er zijn eigen conclusie uit: de wijze verliest niets, omdat alles wat werkelijk van hem is in hemzelf zit.
Stilpo bleef in Megara en bleef onderwijzen. Zijn school ging uiteindelijk op in wat zijn leerling Zeno begon, en langs die weg loopt een rechte lijn van dit gesprek naar de brieven van Marcus Aurelius, vierhonderd jaar later.
Een veroveraar biedt je vergoeding aan voor wat hij zelf heeft afgenomen. Elk antwoord dat je geeft, benoemt wat je bezit.
De verleidelijke sortering is dat Stilpo niets verloor. Hij verloor alles wat een mens kan verliezen, en zijn antwoord ontkent dat niet.
Hij verlegt de betekenis van het woord verliezen. Wat weggedragen kan worden, was nooit van hem: huizen, goud, en volgens de wrede logica van die tijd ook mensen. Die had hij in bruikleen, en de oorlog vroeg ze terug. Wat niet weggedragen kon worden, was wat hij wist en wie hij was.
Dat is de dichotomie van controle in één zin, gesproken tegenover de man die zojuist het bewijs had geleverd. Demetrius kon alles innemen en had precies dat ene niet aangeraakt, niet uit clementie maar omdat het niet kon.
De scherpte zit in het woord dat Stilpo kiest. Niet: ik ben niets kwijt. Maar: niemand heeft iets van mij zien wegdragen. Hij spreekt over wat een ander kan meenemen, en dat is precies de grens tussen de twee bakjes.
Dit is de casus waar de leer het hardst botst met wat wij aanvaardbaar vinden. Als zijn dochters werkelijk zijn weggevoerd, dan is het antwoord van Stilpo niet alleen wijsgerig maar ook kil, en Seneca gebruikt het bovendien als bewijsstuk zonder daarbij stil te staan.
De Stoïcijnen zouden zeggen dat verdriet om zulk verlies niet verboden is, alleen de eis dat het niet had mogen gebeuren. Maar dat onderscheid is op papier makkelijker te maken dan bij een opengebroken deur. Wie deze casus mooi vindt, moet die vraag er eerlijk bij nemen.
Maak de inventaris eens voor jezelf: als alles wegviel wat buiten je ligt, wat draag je dan nog bij je? En besteed je aan dat deel evenveel onderhoud als aan de rest?
Yours, Not Yours · Een stoïcijnse oefenplek · Alle casussen · Vraag of suggestie